Randmeer trim 2017-06-01T19:41:54+00:00

Randmeer trim tips

De Randmeer is een boot met veel trim mogelijkheden. Daarom zijn er in de loop van de tijd de nodige stukjes over geschreven. Een zeer complete beschrijving van een goede uitgangssetup is geschreven door Jan van den Berg in het jaarboek 2011 (als lid kun je die downloaden als je ingelogd bent).

Ook in andere jaarboeken vindt je informatie. Zo staat bijvoorbeeld in het 2016 hoe Wim van Dam om gaat met zijn trim – en hij kan het weten als Nederlands Kampioen 2016. In het jaarboek van 2015 staat dan weer een stuk van Wouter van der Gronden met informatie over de inrichting om die trim handig mee tot stand te brengen.

Natuurlijk kun je ook naar ons jaarlijkse trainingsweekend komen om het een en ander beter onder de knie te krijgen. Of natuurlijk contact opnemen met onze regio vertegenwoordigers. Over het trainingsweekend gesproken, enige jaren terug werd de training verzorgd door Maarten Jamin die daarna de onderstaande bevindingen met ons deelde.

Trim Tips – Maarten Jamin

Maarten Jamin

Enkele jaren terug op het trainingsweekend heeft Maarten Jamin ons op een voortreffelijke wijze getraind en ook de trim theorie besproken. Dat ging natuurlijk allemaal best wel snel, maar Maarten is zo vriendelijk geweest om het een en ander qua trim nog is uit te schijven.

Het onderstaande geeft zijn manier van het trimmen van een Randmeer. Doe er je voordeel mee!

Ik had nog beloofd iets te schrijven over de trim van de Randmeer…..

De aanleiding was: het viel mij op dat de bierstrekker van de genuaval wordt gebruikt om spanning op de stagen te zetten. Dat is een beetje de omgekeerde wereld!

Het is belangrijk om de functie van de verschillende onderdelen goed uit elkaar te houden. Er is al genoeg overlap en onderlinge verbanden om het ingewikkeld te maken 🙂
terwijl het eigenlijk heel simpel is: grootzeil en genua zitten maar op 3 plaatsen vast, waarmee we alles zouden kunnen regelen!

Wat je wil bereiken met trim is een makkelijk, snel zeilende boot.
Dat betekent een boot die in balans is, terwijl je de maximale power uit je zeilen haalt die je nog kunt behappen!

Ik wil altijd een zo bol mogelijk grootzeil (dat ik ook bij windkracht 6 aan kan) want het grootzeil bepaalt de kracht in het zeilplan. En een zo vlak mogelijke genua (die nog past bij het grootzeil) want de genua bepaalt hoe hoog we kunnen lopen.

Als ik ga trimmen, zet ik een gemiddelde spanning op de stagen (zeg 20 op de buiten en 10 op de binnen). Te veel spanning maakt een boot minder “automatisch” en dan voelt ie geknepen.
Dan trim ik het grootzeil zó dat de bovenste telltale de ongeveer helft van de tijd zichtbaar is.
Zijn de telltales te weinig zichtbaar (een veel voorkomend euvel, zag ik op de training) dan gaat de neerhouder los, de overloop naar boven en de grootschoot losser.
Dan de genua zo, dat bij licht oploeven de bovenste telltales in het voorlijk nét als eerste loskomen. Gaan ze te laat, dan de leiogen naar achteren.

Dan voel ik hoe de balans in de boot is: ECHT vlak varend mag de boot nog maar heel ietsjes loefgierig zijn.

Is de boot bijvoorbeeld te loefgierig, dan zet ik de mast (met de genuaval) iets naar voren.
LET OP: de genuaval aantrekken heeft als neven effect dat dat de stagspanning toeneemt. Die moeten dus losser om te compenseren!

De veranderde maststand heeft ook invloed op de stand van de leiogen (!!) en de twist van het grootzeil, dus het trimmen begint opnieuw. En dan de maststand weer aanpassen, enzovoort, net zolang tot dat de optimale zeilstand is gevonden in combinatie met een heel lichte loefgierigheid.

Vervolgens kijk ik hoe we lopen: gaan we hoog en hard genoeg?

Gaan we niet hoog genoeg, dan is de voorste helft van de genua waarschijnlijk niet vlak genoeg. Is een andere genua geen optie, dan kunnen we dat verbeteren door meer spanning op de voorstag te varen. Dit vermindert de doorhang van de genua en maakt die vlakker!

Meer spanning op de voorstag doen we NIET met de genuaval: dit trekt vooral de mast naar voren en verandert daarmee de balans. Meer spanning op de voorstag kunnen we bereiken door vier zaken:
– meer spanning op buitenstagen
– zalingen meer naar achteren
– meer grootschoot spanning
– meer neerhouder spanning
Al deze opties hebben echter diverse neveneffecten waar we rekening mee moeten houden!

Lopen we niet hard genoeg, dan zijn de zeilen wellicht te vlak. Dit kunnen we aanpassen op de volgende manieren:
– grootzeil: onderlijk losser
– grootzeil: mast minder laten buigen (door minder spanning op de stagen)
– grootzeil: minder spanning op voorlijk (=cunninghamhole)
– genua: meer doorhang (door minder spanning op de stagen)
– genua: minder spanning op voorlijk(=cunninghamhole)

Zoals gezegd: al deze opties hebben echter diverse neveneffecten waar we rekening mee moeten houden:
– meer spanning op buitenstagen laat de mast meer buigen, geeft dus een vlakker grootzeil, laat de mast minder automatisch bewegen.
– zalingen meer naar achteren laat de mast eerder buigen bij een gegeven wantspanning, belemmert ook het grootzeil uit te vieren vóór de wind
– meer grootschoot spanning geeft ook minder twist dus minder goed aanspringen
– meer neerhouder spanning geft ook minder twist, laat de mast onderin buigen.
– minder spanning op de stagen laat de mast ook minder buigen, meer zijwaarts vallen
– minder spanning op voorlijk laat bolling naar achteren gaan, sluit zeil dus minder acceleratie.

Dit alles levert een basis trim op: gemiddelde twist zoals we door de tell-tales hebben bepaalt. Maar we willen ook kunnen schakelen: soms om tactische redenen iets hoger varen, soms omdat de wind toe- of afneemt.

Dat doen we als volgt:

Schakel manier 1 (hoger cq harder versnelling):
vuistregel: hoe meer twist, hoe beter de boot aanspringt, hoe minder twist hoe meer we kunnen knijpen.
Minder bereiken we eenvoudig door de grootschoot iets strakker te trekken, de overloop naar buiten of de neerhouder iets aan te zetten.

Minder twist in de genua door de leiogen iets aan te trekken of de genuaval iets door te zetten.
LET OP: er zijn allerlei neven effecten, dus dit is vooral voor een taktische aanpassing van de trim.

Schakelmanier 2 (als de windkracht verandert)
vuistregel: als de wind toeneemt moeten we gaan lozen door meer twist en vlakkere zeilen. Dit doen we door:
– meer spaning op buiten stagen
– meer spanning op binnen stagen
– onderlijk strakker
– grootschoot strakker (en compenseren door overloop naar buiten)
Dit is en permanentere trim aanpassing, noteer goed wat je doet en hoe het werkt, daar leer je van.

Nou, een heel verhaal, als ik dit toespits op wat ik gezien heb tijdens de trainingen zou ik de volgende inrichtings zaken aanbevelen:

1) een overloop die naar boven kan, of liever nog met twee wagens (dat maakt overstag gaan eenvoudiger)
2) een goede spanningsmeter aanschaffen (Loos type 1)
3) goed verstelbare wantspanners (die met borgmoertjes werken niet), de opties zijn:
– Brolga (perfect, duur)
– Spinlock (zonder gereedschap te verstellen) Als Spinlock is moeilijk te krijgen, een alternatief is Ronstan met handle accessoire .
– Stamaster (niet duur, met eenvoudig gereedschap te verstellen)
4) 6 mm Bora schoten (loopt altijd soepel)
5) individuele hangbanden
6) joystick op uiterste puntje van de helmstok

Maarten Jamin

VOETNOOT: Let op, in de Randmeer is het niet toegestaan om tijdens een wedstrijd de verstaging te vertrimmen. Tussen de wedstrijden door mag dat wel.